Ambon

30-06-2016 22:41:21 | Door Trof, Kasper

Column 5 – 2016 Tsjalling Buwalda

Naar aanleiding van een interview in de NRC vorige maand met Frank Westerman, bij het verschijnen van zijn boek : “Een woord een woord”, begin dit jaar.

Een hels kabaal. Straaljagers scheuren met oorverdovend gebulder over. We schrikken wakker en blijven luisteren tot het geluid langzaam wegsterft. Mijn vrouw en ik kijken elkaar aan en weten wat dit betekent: Het einde van de treinkaping. Moet dit zó, met zoveel geweld? Ik voel het kippenvel over mijn gezicht trekken. We zetten de radio aan.

Het is zaterdag 11 juni 1977, bij het krieken van de dag. Op die dag werd de treinkaping bij De Punt beëindigd, die op 23 mei begonnen was. Op 23 mei was ook de gijzeling begonnen van een basisschool in Boven-Smilde. Op 27 mei werden de leerlingen daarvan vrijgelaten met één docent. Eveneens pas op 11 juni 1977 kwam ook aan die gijzeling van de overige vier docenten een einde.

Molukkers. Ambon. Met de Politionele acties en het onafhankelijk worden van het toenmalige Nederlandsch Indië zijn dat namen en termen, die horen bij onze jeugd. Bij mijn oom en tante en mijn neven en nichten die terugkeerden uit een paradijselijk land. Bij de plakkaten op de ramen van onze voorkamer: “Indië verloren, rampspoed geboren”. Bij “De Stem van Ambon”, een blad, dat regelmatig bij ons in de bus viel. Bij “Door de eeuwen Trouw”, een stichting van vooral Nederlandse gereformeerden  die zich achter het streven van de Molukkers stelden. Later, als student, kreeg ik van mijn oom een uitnodiging voor een vergadering in een chique restaurant in het centrum van Utrecht. Hij zou daar spreken voor een vergadering van Molukkers en ik zag daar de kopstukken van de regering in ballingschap van de RMS (Republiek van de Vrije Molukken). Allemaal indrukwekkende persoonlijkheden voor mij.

Nog tijdens mijn studie solliciteerde ik bij een middelbare school in Rotterdam. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek, waarbij ik ook werd voorgesteld aan enkele leraren. Daarbij was ook een wiskunde-leraar. Ik herkende hem direct, Ir Manusama, de president van de regering in Ballingschap van de RMS. Opnieuw was ik onder de indruk van de persoonlijkheid van deze vriendelijke en bescheiden man. Na afloop van mijn sollicitatiebezoek nam ik de tram naar het centraal station. In de tram zag ik meneer Manusama zitten. Naast hem was nog een plaats vrij. Als verlegen studentje aarzelde ik natuurlijk enorm, maar tenslotte durfde ik toch naast hem te gaan zitten.

Tijdens de treinkaping bij de Punt, bood Ir Manusama zijn diensten aan als bemiddelaar. Maar de kapers weigerden zijn hulp, omdat ze wisten dat hij niet van de harde lijn was. Toch was dat opmerkelijk, zoals de kaping zelf opmerkelijk was. Want Molukkers zijn, als echte militairen (en hun nakomelingen) bijzonder gezagsgetrouw.

U kent het verhaal van de Molukkers. Molukse militairen vochten aan de kant van Nederland bij de politionele acties, dus bij de onafhankelijkheidsstrijd. Toen Nederland die strijd moest opgeven, was de positie van de Molukse militairen dus een probleem. De nieuwe machthebbers boden aan: opname in het Nationale Indonesische leger. Maar de Molukse militairen wilden natuurlijk liever terug naar huis, naar de Molukken. En daar voelden Soekarno en de zijnen natuurlijk niet voor. Want op de Molukken was een sterke beweging gaande om zich los te maken van het onafhankelijke Indonesië. Nederland hakte de knoop uiteindelijk door: De Molukse militairen werden dan maar tijdelijk geparkeerd in Nederland. En zo werden in 1950 ongeveer 4000 Molukse militairen met hun gezinnen, totaal omstreeks 12.500 personen naar Nederland verscheept. Nog tijdens de reis werden de militairen ontslagen uit de militaire Dienst. Zo kwamen ze in Nederland aan, zonder hun militaire status, zonder werk, zonder inkomen. Ze werden ondergebracht in woonoorden. In afwachting van hun terugkeer, die nooit kwam.

Jongeren van de Tweede generatie Molukkers in Nederland voerden de kapingen uit. Veel Nederlanders dachten dat de Molukkers erkenning wilden van de RMS door de Nederlandse regering. Maar dat was niet het hoofddoel van de kapingen. De grootste grief en frustratie bij de jongeren was dat Nederland al die jaren hun ouders compleet genegeerd had. Hen volledig had laten barsten. Na de beëindiging van de kapingen waren er bijeenkomsten met de pers. Die voedden opnieuw die frustraties bij de Molukkers. Want de journalisten vroegen alleen maar naar bijzonderheden van de kapingen. Terwijl de Molukkers juist aandacht wilden voor het onrecht dat Nederland hun had aangedaan.

Begin tachtiger jaren hadden we op de lerarenopleiding Ubbo Emmius in Groningen een Moluks Forum. In de zaal 400 studenten. Op het podium, achter een lange tafel , een rij van vijftien Molukkers. Vijftien zwarte mannen, zwarte haren, zwarte ogen, zwarte pakken. Slechts een enkele kunstenaar onder hen droeg een prachtig gekleurd colbert dat, evenals het magere witte mannetje in het midden, al dat zwart alleen nog maar accentueerde. Een indrukwekkend geheel. In een voorgesprek hadden de Molukkers als voorwaarde gesteld, dat er niet over de kapingen zou worden gesproken. De studenten kenden die voorwaarde. Na korte inleidingen van de kant van de Molukse forumleden was het woord aan de studenten. En waarachtig, de eerste vraag ging toch weer over de kapingen. Gelukkig lieten de Molukkers zich niet uit het veld slaan. Er ontstond een boeiende discussie over het waarom en de gevolgen van de kapingen. Toen ik in verband met de tijd wilde kappen steeg er een luid protest op. Eindelijk was er intense aandacht voor de Molukse zaak. Was die aandacht er zonder de kapingen ook gekomen? Kunnen we vandaag iets met die kapingen van toen? Vandaag, met radicalisering van jongeren? Vandaag, met terrorisme in allerlei vormen? Ik laat het hier bij twee opmerkingen.

Eerst een opmerking ten aanzien van de plegers. Wat Nederland de Molukse militairen heeft aangedaan was beledigend en schandalig. Nog erger was  dat de Molukkers na hun aankomst hier volledig werden genegeerd. In onze huidige samenleving groeit de kloof tussen de “elite” met goed betaalde banen en de onfortuinlijke onderklasse. Die onfortuinlijke onderklasse voelt zich steeds meer in de kou staan en door de overheid genegeerd. Dat is niet alleen sociaal onaanvaardbaar, maar ook politiek gevaarlijk.

De tweede opmerking betreft de slachtoffers. In het interview zegt Frank Westerman ergens: “Hier kwamen de kinderen (school in Boven-Smilde) lichamelijk ongedeerd naar buiten, maar wel levenslang psychisch geschonden”. Die opmerking trof me.Is het inderdaad zo erg? Ik moet denken aan een van mijn studenten omstreeks 1990. Een belangstellende enthousiaste studente. Altijd in voor een werkstukonderwerp, dat een beetje afweek van de geëigende paden. Maar het viel me op, dat na een enthousiaste start altijd een terugslag kwam, veel rigoureuzer en definitiever dan je normaal kunt verwachten. Uiteindelijk bleek zij één van de 105 kinderen te zijn die 4 dagen en nachten gegijzeld waren geweest in die school, toen al een jaar of vijftien geleden.

Kinderen, slachtoffers van geweld. Kinderen, klem tussen twee culturen. Kinderen van vluchtelingen, die met hun ouders veel geweld hebben meegemaakt. Kinderen die, net een beetje gewend op een school, weer naar een ander AZC moeten verhuizen. Vluchtelingenkinderen, die hier zonder hun ouders zijn gekomen.

Hoe lang blijven we eigenlijk nog emmeren over een Kinderpardon?

Zuidhorn, 29 juni 2016